dinsdag 7 februari 2012

Tussen geven en nemen

De bedoeling was dat ik een recensie zou schrijven van Tussen geven en nemen van Hein Lodewijkx. En geen nood, opdrachtgever, auteur en uitgever, dat doe ik ook. Min of meer. Maar het toeval wil dat ik het boek uitlas op de dag dat de schorsing van Alberto Contador naar buiten kwam. En na een dag lang nadenken, discussiëren, me opwinden en proberen de zaak te snappen kwam ik tot de conclusie dat het boek van Lodewijkx me het perfecte handvat had gegeven voor een stuk over doping, dopingstraffen en hoe er mee om te gaan. En dat leek me een groter compliment voor een auteur dan droog vertellen wat ik van zijn boek vond.


Hein Lodewijkx is sociaal psycholoog. En wielerliefhebber – goed volk dus. Lodewijkx probeert in zijn boek het wielrennen te benaderen vanuit allerlei sociaal-psychologische begrippen. De allesoverheersende groepsdwang van het peloton komt aan de orde, maar ook het beroemde Prisoner’s Dilemma (wiki), dat buitengewoon goed en helder toepasbaar blijkt op allerlei klassieke wielersituaties, van linkeballen tot flikken, van combines tot dopingmisbruik. Maar vooral die groepsdwang, die groepscultuur – Omerta anyone? – is fascinerend en lijkt erg bruikbaar om de dopingkwestie op te lossen. Of in ieder geval eens helemaal anders te bekijken, want zo als het nu gaat, daar wordt helemaal niemand beter van.

Wielrennen kent valsspelers en spelbrekers. Die valsspelers, zij die de van buitenaf opgelegde regels van bijvoorbeeld fair play en doping overtreden, worden binnen het peloton vaak gewoon geaccepteerd. Ze passen zich immers aan de cultuur die in het peloton heerst en zolang ze maar niet teveel opvallen en geen misbaar maken, en vooral niet met de buitenwereld praten, kan de groep prima met ze leven. Spelbrekers daarentegen, daar heeft men een broertje dood aan in het peloton. Zo hard rijden dat het overduidelijk is dat je geprepareerd bent, zelfs vooraf aankondigen waar je je tegenstanders gaat vernederen, dat is not done. Vraag maar aan Riccardo Riccò. Of uit de school klappen over doping, je niet neerleggen bij de code van het peloton. Dat maakt je een spelbreker. Peter Winnen ervoer het nadat hij – jaren later nota bene- op televisie openlijk vertelde over zijn dopinggebruik. Hij verloor er goede vrienden door. Hij was een van een acceptabele valsspeler opeens een onacceptabele spelbreker geworden.

En daar, in dat mechanisme, ligt misschien wel de oplossing van het dopingprobleem. Als we er voor kunnen zorgen dat de cultuur binnen het peloton zo verandert dat valsspelers – zij die doping nemen- worden gezien als spelbrekers. Als we de groepsdwang juist inzetten als anti-doping instantie. Alle slechte dingen van het wielrennen zijn gebaseerd op groepsdwang – de angst om eruit te liggen- en op angst om te verliezen. Waarom niet iets positiefs beginnen gebaseerd op die mechanismen?

Lodewijkx stelt voor dat alle renners een dopingdagboek bijhouden. Alles wat ze op een dag binnenkrijgen, van supplement en vitamine tot wat dan ook. Dat dagboek houden ze niet bij voor de UCI of het WADA, nee, dat dagboek houden ze bij voor het peloton, voor de groep. En die groep overlegt ook, in samenwerking met artsen uiteraard, over wat toelaatbaar is. Laat ze er maar eens eerlijk over zijn, dat je de Tour niet op een boterham met pindakaas rijdt. Dat weet iedereen al lang. De UCI blijft gewoon tests uitvoeren, maar het verschil is nu dat als je betrapt wordt op iets dat je niet had overlegd en niet in je dagboek had geschreven, je er nu uitligt in de groep, in het peloton. Je bent van valsspeler nu een spelbreker geworden. En daar houdt het peloton niet van hadden we geconstateerd, van spelbrekers.

Naïef? Wellicht. Alhoewel de tendens al wel die kant op lijkt te gaan. Een aantal ploegen maakt bloedwaarden en testuitslagen al openbaar op de eigen websites. En het peloton zal eens moeten beseffen dat het zo niet door kan gaan. Het kan niet elke keer schande roepen van regels en dopingcodes als ze niet zelf het heft in handen nemen. Het kan niet steeds naar de UCI, de ASO, de WADA en het CAS wijzen als de renners zich niet eindelijk eens verenigen, écht solidair met elkaar zijn en niet steeds in de slachtofferrol kruipen of collega-renners die verzuipen in het systeem laten vallen als een baksteen. Zij zíjn het peloton, zij zíjn de sport. Zonder hen geen wielrennen, geen televisie-uitzendingen. Laten ze de Formule 1 eens als voorbeeld nemen. Daar streden de coureurs jarenlang tegen onveilige circuits, tegen onwillige circuiteigenaren die te beroerd waren geld uit te geven aan verbeteringen ten behoeve van de veiligheid. Het was een lange strijd, maar de coureurs verenigden zich, dreigden volkomen terecht met stakingen en kregen uiteindelijk hun zin.

Neem je verantwoordelijkheid renners, en stop met zeuren. Het heeft lang genoeg geduurd. Hoe lang blijkt wel uit dit citaat van Peter Winnen, over de beruchte Festina-Tour: ‘De Tour van 98 deed voor mij de deur dicht. Ik voelde mij als oud-coureur genaaid. Niet door de publicaties, maar door het milieu zelf. Ik voelde mij vies: daar heb ik verdomme ook bij gehoord. Die coureurs en ploegleiders hebben toen een geweldige kans laten liggen. Ze hadden moeten zeggen: “En nou zijn we het zat. Iedereen kan toch op zijn vingers natellen dat er in het hele peloton geen hond alleen maar op een vitaminepil rijdt. Die lijst slaat nergens op. Wij gaan nu eens openlijk discussiëren over wat wel en niet doping is.” Maar nee, ze lieten zich als een kudde makke schapen weer de weg op drijven. Echt niemand durfde. De renners niet, uit angst voor de ploegleiders; de ploegleiders niet, uit angst voor de sponsors.’

Het is nu bijna 24 jaar later. Renners, eis je sport terug. Maak van de valsspelers nu eens spelbrekers en zet alle talenten tot samenwerking die jullie altijd zo perfect laten zien in kopgroep en waaier nu eens in voor het grotere goed. Linkeballen is prima, maar graag alleen op de weg.

Tot slot, het boek. Hein Lodewijkx heeft een buitengewoon boeiende verhandeling geschreven. De theoretische delen en de wiskundige schema’s zijn soms even doorbijten, maar uiteindelijk zeer de moeite waard. Het is een boek vol met verhalen en anekdotes uit de rijke wielergeschiedenis, geschreven door iemand die het wielrennen duidelijk aan het hart gaat.

Dit stuk staat ook op Het is koers.

woensdag 18 januari 2012

De fietser in de windtunnel

ALS JE DAN WERKELIJK ZO BENIEUWD BENT, DAN WIL JE natuurlijk in de eerste plaats weten waar ik geboren ben, wat ik zo al in mijn jeugd uitgespookt heb, waar mijn ouders vandaan kwamen en wat ze uitvoerden voor ze met mij op- gescheept werden, en ga zo maar door; maar om je de waarheid te zeggen voel ik daar niks voor. Ten eerste omdat het me geen kuckelei interesseert, en ten tweede omdat mijn ouwelui een rolberoerte zouden krijgen als ik iets persoonlijks over ze vertelde. Op dat punt zijn ze verdraaid kleinzerig, vooral mijn vader. Ze zijn reuze geschikt en zo, daar niet van, maar o, zo gauw gepikeerd. Bovendien moet je niet denken dat ik van plan ben met mijn levensloop op de proppen te komen. Ik wou alleen maar wat vertellen over die waanzin die me tijdens De Tour overkomen is, dus voordat ik van slag af raakte en hier naar toe moest om weer een tijdje in de windtunnel te doen. Meer heb ik F. ook niet verteld, en die is nog wel mijn bloedeigen broer. Hij zit nu in Pamplona. Dat is niet zo ver hier vandaan, en hij komt me tussen iedere preparatie opzoeken.

Als ik naar huis toe mag, volgende maand misschien, dan komt-ie me halen. Hij heeft pas een Nissan gekocht – je weet wel, die kleine Japanse dingetjes, die een dikke tweehonderd kilometer per uur doen. Dat grapje heeft hem bijna vier mille gekost, maar hij zit tegenwoordig aardig in de slappe was. Vroeger niet. Vroeger, toen hij nog de minder getalenteerde was, fietste hij gewoon voor mij. Ken je Het Geheim van de Tijdrit, die bundel korte verhalen? Die is van hem. Het beste is Het Geheim van de Tijdrit zelf. Het gaat over een klein knulletje waar geen mens meer in gelooft omdat hij altijd tweede wordt. Het sneed door m’n ziel. Nu fietst-ie in Frankrijk om de Gele Trui, F. Als er één ding is waar ik de pee aan gezien heb, dan is het de Gele Trui wel. Praat me d’r niet van.

Maar ik wou mijn verhaal eigenlijk beginnen met die dag waarop ik naar Bruyneel ging. Bruyneel leidt die kostschool in Texas. Je zult er wel eens van gehoord hebben, of anders heb je de advertenties toch wel gezien. Ze adverteren in zowat alle tijdschriften, en altijd met een plaatje van een vlotte jongen die op de fiets een tijdrit rijdt. Alsof je bij Bruyneel de hele dag niets anders doet dan goed tijdrijden. Ik heb er zelfs nog nooit een dicht achterwiel gezien. En onder dat plaatje zetten ze dan altijd: “Sedert 1999 het opleidingscentrum waar jongens gevormd worden tot uitmuntende, hardrijdende wielrenners”. Waar halen ze het vandaan. Ze hebben in Texas geen greintje meer benul van vormen dan bij welke andere ploeg ook. En over die hardrijders zul je al evenmin je nek breken. Ik heb er alles bij elkaar misschien twee gekend. Hooguit. En die waren het waarschijnlijk al voor ze naar Bruyneel gingen.

Hoe het ook zij, het speelde zich af op die zaterdag toen ik tegen Contador reed. Van die ontmoetingen tegen Contador maakten ze altijd veel ophef in Texas. Het was de belangrijkste wedstrijd van ‘t jaar, en je werd geacht zo ongeveer harakiri te zullen plegen als Bruyneel niet won. Ik herinner me dat ik die middag om een uur of drie boven op het startpodium stond, vlak naast die stomme afteller die nog uit de Franse revolutie stamt. Ik kon vanaf die plek het hele parcours overzien en Cadel en Contador elkaar te lijf zien gaan. De jongens op de tribune kon je niet zo duidelijk onderscheiden, maar je kon ze horen brullen – massaal en opzwepend aan de kant waar Radioshack stond, omdat praktisch de hele Armstrong-clan er was, en magertjes en zielig aan de kant van Saxo Bank, omdat die gasten nooit wisten of de uitslag achteraf geldig zou zijn.

De reden dat ik boven op het startpodium stond in plaats van F. is dat omdat ze toen nog in mij geloofden. Ik was nota bene de kopman van het team. Moet je niet min over denken. We waren naar die Tour gekomen om hem te winnen. Alleen kon ik het gewoon niet. Weer niet. Ik had weer tijd verloren in de afdaling en nu kwam alles zoals altijd aan op die verdomde tijdrit. En het was allemaal mijn schuld. Ik kan het gewoon niet, nooit. Zodoende kwam ik drie kwartier later bij de streep, in plaats van driekwart minuut. De hele tijdrit lang heb ik er voor spek en bonen bij gezeten. Alles bij elkaar een nogal pijnlijke situatie.
(…)

Dat is alles wat ik er over ga vertellen. Ik had waarschijnlijk nog wel kunnen vertellen wat ik het komende jaar zou moeten doen, en naar welk team ik ga, maar ik heb er geen zin in. Echt niet. Het kan me niet meer schelen. Als je het écht wil weten… ik weet niet wat ik ervan moet denken. F. is nu de kopman. Het zal wel. Zijn windtunnel is vast beter geprepareerd dan de mijne.

Dit stuk staat ook op Het is Koers.

dinsdag 11 oktober 2011

Op papier: Millar en Cancellara

David Millar zei ooit over wielrenners: “They give off the image of exceptional men but in fact they are very, very ordinary. Simple people without much education, who aren’t fun to eat with, who don’t get into intellectual discussions. All they have in life is cycling. Without that, it’s finished.”

Zo’n citaat nodigt niet uit tot het lezen van boeken over wielrenners. Sporters hebben over het algemeen weinig interessants te vertellen, in interviews struikel je over gemeenplaatsen als ‘je eigen race rijden’, ‘ik heb alles gegeven’ en ‘meer zat er niet in vandaag’. Maar Millar laat met bovenstaand citaat al zien dat hij wellicht een uitzondering op de regel is. In Racing through the dark blijkt hij een prima verhalenverteller, uitstekend in staat tot zelfreflectie en een scherp observator van onze zo geliefde, maar vaak duistere wielerwereld. Het verhaal van een buitengewoon getalenteerd wielrenner die er al gauw achterkomt dat hij zonder doping uitzonderlijk goed is, maar toch vaak net niet goed genoeg, zou waarschijnlijk door honderd anderen verteld kunnen worden. Millar was niet de eerste en zal zeker niet de laatste renner zijn die zich voorneemt ‘schoon’ de top te bereiken maar uiteindelijk toch onder de druk bezwijkt.

Wat zijn verhaal zo boeiend maakt is simpelweg zijn vermogen het te vertellen. David Millar is intelligent en welbespraakt. Zijn wereld is groter dan het peloton, zijn blik reikt duidelijk verder dan de weg waarop hij fietst. Die weg leidt hem van jeugdkoersen in Engeland naar een pubertijd in Hongkong, waar hij bij zijn vader gaat wonen als die het gezin verlaat. De zomers die hij thuis bij zijn moeder doorbrengt staan geheel in het teken van wielrennen. De jonge David blijkt een groot talent en besluit zijn plannen om aan de kunstacademie te gaan studeren vaarwel te zeggen en in Frankrijk te gaan koersen. In 1997 wordt hij prof en komt terecht in een peloton dat ‘preparatie’ en ‘herstel’ voornamelijk met de naald regelt. Na een aantal jaren van tegenstribbelen gaat ook hij uiteindelijk overstag. Zijn epocalyps eindigt in 2004 een politiecel in Biarritz.

Millars verslag van zijn opkomst, ondergang en daaropvolgende rentréé als voorvechter van het ‘schone’ wielrennen leest als een klassieke Bildungsroman, met een hoofdpersoon die je afwisselend in de armen wil sluiten en een ontzettende schop onder z’n kont wil geven. Maar sympathiek of niet, geloofwaardig of niet (hij blijft een wielrenner tenslotte…), David Millar boeit. Ik kan me voorstellen dat zelfs niet-koerskijkers zijn verhaal interessant zullen vinden.

Het in Vlaanderen vertaalde en uitgegeven Cancellara, eerder in Zwitserland uitgegeven als Cancellara’s Welt, is van een andere orde. Geen autobiografie (degenen onder ons die ‘Faab’ van Twitter kennen zullen dat ongetwijfeld begrijpen), maar het werk van twee Zwitserse journalisten die niet alleen zijn carrière tot nu toe beschrijven, maar de man zelf ook meermaals interviewden, een gesprek hadden met zijn vrouw, oud-ploeggenoten, oud-ploegleiders en een aantal bekende Zwitsers (waaronder een filosoof en een cabaretier van Italiaanse afkomst). Het boek doet zijn best ook kritisch te zijn, en slaagt daar af en toe ook prima in. Vragen over doping en het beruchte motortje tijdens Parijs-Roubaix worden niet geschuwd, maar Cancellara’s Welt is de wereld van het wielrennen, meer niet.

Het beeld dat wordt geschetst is dat van een buitengewoon aimabel mens, een familieman, een lieve goeierd. Maar ook dat van een groot kind dat thuis het liefst soaps kijkt, door zijn (oudere en duidelijk wijzere) vrouw op cursus wordt gestuurd omdat hij zo slecht schrijft en vooral dat van een verschrikkelijke kletskous. Spartacus werd door zijn toenmalige ploeggenoot bij Mapei, Garzelli, zelfs tijdenlang volkomen genegeerd omdat die het onophoudelijke gebabbel (en het zingen..!) tijdens lange trainingsritten niet meer kon verdragen.

In tegenstelling tot David Millars boek is dat over De beer van Bern er echt één voor de fans. Maar het is absoluut onderhoudend en bij vlagen ontroerend. Het beeld van de Familie Cancellara die tijdens het eten altijd een laptop aan heeft staan zodat ze tijdens hun ‘tafelgesprekken’ dingen kunnen opzoeken die ze niet begrijpen is aandoenlijk. “Fancellara’s” kunnen het boek zonder zorgen aanschaffen, zelfs ondanks het nogal magere aantal foto’s… Niet-fans verwijs ik graag terug naar het citaat van Millar bovenaan.
Dit stuk staat ook op Het is koers!

dinsdag 20 september 2011

De tijd en zijn rit.

Tijdrijden. Het is een ondergeschoven kindje. Saai vinden we het. Zo’n man op zo’n fiets. Beetje hard vooruit rijden. Op een vlak parcours ook nog. Want een klimtijdrit is geen tijdrit. Dat is in je eentje klimmen. Bovendien zijn klimtijdritten zeldzaam. Uiteraard kijken we a.s. woensdag wel, want het is tenslotte een WK en koers is koers, maar het is voor velen toch een beetje zoenen voor het de kerk in gaan. Halverwege een pepermuntje en maar wachten op de hoogmis, de wegrit. Want dat is de ware. Zeggen ze.

Vreemd eigenlijk, voor een volk dat zo van schaatsen houdt. Als iets leeft bij de kunst van het tegen de klok rijden zijn het wel die rondjes 31.8 over een winderige ijsbaan of in een tochtige hal. En dat vindt half Nederland prachtig. Kom niet aan ons schaatsen. Tien jaar geleden woonde ik in Engeland, alwaar schaatsen net zo exotisch is als cricket hier. En schaatsen kijken met Engelse commentatoren is een bloedeloze toestand: “Ah, he’s is still ahead”, “Lap 13 now, the man in front seems to be extending his lead” en “Jolly good, he won, isn’t that fabulous?” En ik maar tegen de televisie roepen dat ze niet tegen elkaar reden. Op die manier raakt zelfs de meeste toegewijde schaatsfan ontmoedigd.

Zet echter rondetijden en iemand met verstand van zaken bij schaatsen en de eindeloos lijkende rondjes veranderen in een verhaal van één man in een slopend gevecht met vierhonderd meter ijs. De geringste verandering in de houding van de schaatser verraadt aan ons, de ingewijden, dat er een tiende verval aan komt deze ronde. Prachtig vinden we het. We schrijven de seconden mee en schreeuwen bij de kleinste misslag. Maar wanneer de schaatsbonden besluiten te ‘moderniseren’ en afvalraces gaan organiseren, vindt niemand er iets aan en neemt bond én publiek het amper serieus. Man tegen man, ploeg tegen ploeg! Wielrennen dus. Het lijkt de omgekeerde wereld.

‘Sporten tegen de klok’ staat of valt bij de expertise en goede wil van de regisseur, een goed functionerende tijdwaarneming en kundige verslaggevers. Is die heilige drie-eenheid aanwezig, dan is er weinig mooier dan de heroïsche strijd van de man contre-la-montre. De vernedering ingehaald te worden door iemand die anderhalve minuut na jou startte. Het aansnijden van die allerlaatste bocht, zo scherp dat het onmogelijk lijkt. Seconden tikken weg. Een roerloos bovenlichaam dat volkomen in lijn met het wegdek boven de fiets hangt. Alleen de benen bewegen. Legato. Omwenteling na omwenteling. Voeg daar aan toe het zachte zoef… zoef… zoef… van het dichte achterwiel, als de commentator op het juiste moment even z’n mond houdt, et voilá: wielrennen. Zonder fratsen. Fietsen in z’n puurste vorm. Zó sterk is die eenzame fietser dus. En wij mogen daar getuige van zijn. Is het al 21 september?

Dit stuk staat ook op Het is Koers!

dinsdag 6 september 2011

Ja, ik heb trek in de Shack!

Op de avond van de tweede rustdag in de Vuelta kwam dan eindelijk de bevestiging van het al lang rondzoemende gerucht: Leopard Trek en Radioshack gaan fuseren. Omdat Leopard een nogal bizar persbericht de wereld instuurde, waarin met geen woord over Johan Bruyneel werd gerept, was er nog even twijfel (en bij sommigen ongetwijfeld hoop) over de rol van ‘JB’ in de nieuwe ploeg, maar de ochtend erop maakte Livestrong een einde aan alle verwarring: De Schleckjes gaan voor Bruyneel rijden. Voor Radioshack-Nissan-Trek. En ook voor Livestrong. Eigenlijk voor Armstrong dus. Die van die gele bandjes. De man die voor velen hun Tour verpestte. Die man waar we maar niet van afraken, lijken een hoop mensen te denken.

Wat rondstruinend op wielerforums en op Twitter zag ik de woede en afschuw met de minuut groeien: “Ik had al een hekel aan die Luxemburgers met hun malle sjaaltjes, maar nu ze hun ziel hebben verkocht aan de satan hoef ik ze echt nooit meer te zien”. En “Wel makkelijk, nu hoef ik geen hekel aan twee teams meer te hebben, ik kan al mijn gal kwijt bij Schleck en Bruyneel.”

De haat zit diep. Fränk, Andy en Fabian zijn de grote boze verraders die eerst die arme, onschuldige Bjarne Riis in de steek lieten en nu voor de tweede keer een team opblazen. En hoe. Ze gaan met Bruyneel in zee! B r u y n e e l !! Hoe halen ze het in hun hoofd? Weten ze dan niet dat als je Bruyneel achterstevoren schrijft er eigenlijk Duivel staat gespeld? En dat Lance Armstrong hoogstpersoonlijk vóór elke rit over die Livestrongbandjes heenplast, omdat je daar harder van gaat fietsen? Ze zijn geel nota bene, hallo! En die arme Contador, hoe moet die nu nog ooit de Tour winnen? Het is een schande, die hele fusie. UCI, doe er iets aan!

Heerlijk. Ik meen het, wat een feest. Ik kan niet wachten op 2012. De beste ploegleider gaat de beste ploeg leiden. Andy Schleck gaat leren dalen en misschien zelfs wel beter tijdrijden. Ik weet zeker dat broer Fränk The Look al aan het oefenen is in de spiegel. Fabian Cancellara gaat Tony Martin weer ouderwets zijn iconische kont tonen en in de Alpen wordt het smullen van US Postalesque bergtreintjes. Keiharde dominantie, geslepen koersinzicht en vernederende overmacht. Kom maar op!

Komende zomer staan er in Parijs weer twee Luxemburgers op het podium. Alleen nu niet meer op dezelfde hoogte. Eén zal er op het bovenste treetje staan. En erachter zal een grijnzende Johan Bruyneel te zien zijn. Eindelijk tien Touroverwinningen. Laat de haters maar haten, de winnaar heeft altijd gelijk.

Dit stuk staat ook op Het is Koers!

maandag 5 september 2011

RadioGaga

Als we L'Equipe mogen geloven lijkt de 'fusie' tussen Leopard Trek en Radioshack vanavond dan toch bevestigd te gaan worden. Een nieuw logo is in ieder geval eenvoudig gemaakt: