Posts tonen met het label boeken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label boeken. Alle posts tonen

woensdag 30 mei 2012

Andy Schleck is een pannenkoek

Nee, het staat nergens. Tenminste, niet letterlijk. Maar ik meen me na het lezen van Michael Boogerds Handboek voor de Tour de France 2012 de vrijheid te kunnen veroorloven Boogerds gedachten over de jongste Schleck even samen te vatten. Want hij komt er niet best vanaf, het wonderkind dat steeds nét naast het geel grijpt. De trui die hij dinsdag in Luxemburg kreeg uitgereikt laten we maar even buiten beschouwing.

Goed, eerst eens over het boek. Het Handboek doet precies wat het zegt. Een puike vooruitblik op de komende Tour met een goed overzicht van alle etappes, alle ploegen, alle kanshebbers en uiteraard de standaard historische overzichten met winnaars, truien en klassementen. Niet origineel – er verschijnen elk jaar stapels van dit soort boeken – maar verdraaide handig en perfect om straks in juli naast de televisie te leggen.

Wat het boek anders en leuk maakt zijn de stukken genaamd Boogerds Blik. Daarin geeft hij zijn visie op elke etappe en elke kanshebber, gelardeerd met anekdotes over zijn dagen in het peloton. En omdat hij met veel nu nog actieve renners heeft gekoerst, zijn die buitengewoon informatief. Maar vooral zijn ze heerlijk openhartig. En de redacteur van het boek heeft gelukkig niet de fout gemaakt Boogerds verhaal te veel willen stroomlijnen. Hij klinkt op papier gewoon als zichzelf. Thomas Voeckler is ‘een kwal’, Liquigas kan op klimmetjes soms ‘schofterig doortrekken’ en koersen in Noord-Frankrijk is vreselijk deprimerend. ‘Word je ’s avonds weer afgegooid op zo’n industrieterrein met een Buffalo Grill, een Ibis en een Campanile.’

Boogerds Blik is waar het in dit boek omdraait. En precies daardoor is het bijzonder geslaagd. Het is verfrissend, gortdroog en erg geestig. Behalve dan als je fan van de gebroeders Schleck bent. Want die komen er niet best af. Ze zijn ‘gluiperige kwakkers’, ze kunnen ‘niet sturen’ en vinden zichzelf ‘heel cool’, maar zonder Fabian Cancellara ‘zijn ze nergens’. Over welk onderwerp of welke favoriet het ook gaat, overal weet Michael wel een linkje naar de Schleckjes te leggen. Vandaar dat ik in de titel de vrijheid nam zijn blik even samen te vatten. Al was het maar omdat ik zijn conclusie over de komende Tour de France deel. Dus, namens mijzelf en Michael Boogerd:

Cadel Evans gaat de Tour winnen. En Andy Schleck is een pannenkoek.

Handboek Tour de France 2012 – Michael Boogerd en Maarten Scholten.
ISBN 9789026325649
Uitgeverij Ambo/Anthos
Prijs: €15,00

Dit postje staat ook op Het is Koers

dinsdag 7 februari 2012

Tussen geven en nemen

De bedoeling was dat ik een recensie zou schrijven van Tussen geven en nemen van Hein Lodewijkx. En geen nood, opdrachtgever, auteur en uitgever, dat doe ik ook. Min of meer. Maar het toeval wil dat ik het boek uitlas op de dag dat de schorsing van Alberto Contador naar buiten kwam. En na een dag lang nadenken, discussiëren, me opwinden en proberen de zaak te snappen kwam ik tot de conclusie dat het boek van Lodewijkx me het perfecte handvat had gegeven voor een stuk over doping, dopingstraffen en hoe er mee om te gaan. En dat leek me een groter compliment voor een auteur dan droog vertellen wat ik van zijn boek vond.


Hein Lodewijkx is sociaal psycholoog. En wielerliefhebber – goed volk dus. Lodewijkx probeert in zijn boek het wielrennen te benaderen vanuit allerlei sociaal-psychologische begrippen. De allesoverheersende groepsdwang van het peloton komt aan de orde, maar ook het beroemde Prisoner’s Dilemma (wiki), dat buitengewoon goed en helder toepasbaar blijkt op allerlei klassieke wielersituaties, van linkeballen tot flikken, van combines tot dopingmisbruik. Maar vooral die groepsdwang, die groepscultuur – Omerta anyone? – is fascinerend en lijkt erg bruikbaar om de dopingkwestie op te lossen. Of in ieder geval eens helemaal anders te bekijken, want zo als het nu gaat, daar wordt helemaal niemand beter van.

Wielrennen kent valsspelers en spelbrekers. Die valsspelers, zij die de van buitenaf opgelegde regels van bijvoorbeeld fair play en doping overtreden, worden binnen het peloton vaak gewoon geaccepteerd. Ze passen zich immers aan de cultuur die in het peloton heerst en zolang ze maar niet teveel opvallen en geen misbaar maken, en vooral niet met de buitenwereld praten, kan de groep prima met ze leven. Spelbrekers daarentegen, daar heeft men een broertje dood aan in het peloton. Zo hard rijden dat het overduidelijk is dat je geprepareerd bent, zelfs vooraf aankondigen waar je je tegenstanders gaat vernederen, dat is not done. Vraag maar aan Riccardo Riccò. Of uit de school klappen over doping, je niet neerleggen bij de code van het peloton. Dat maakt je een spelbreker. Peter Winnen ervoer het nadat hij – jaren later nota bene- op televisie openlijk vertelde over zijn dopinggebruik. Hij verloor er goede vrienden door. Hij was een van een acceptabele valsspeler opeens een onacceptabele spelbreker geworden.

En daar, in dat mechanisme, ligt misschien wel de oplossing van het dopingprobleem. Als we er voor kunnen zorgen dat de cultuur binnen het peloton zo verandert dat valsspelers – zij die doping nemen- worden gezien als spelbrekers. Als we de groepsdwang juist inzetten als anti-doping instantie. Alle slechte dingen van het wielrennen zijn gebaseerd op groepsdwang – de angst om eruit te liggen- en op angst om te verliezen. Waarom niet iets positiefs beginnen gebaseerd op die mechanismen?

Lodewijkx stelt voor dat alle renners een dopingdagboek bijhouden. Alles wat ze op een dag binnenkrijgen, van supplement en vitamine tot wat dan ook. Dat dagboek houden ze niet bij voor de UCI of het WADA, nee, dat dagboek houden ze bij voor het peloton, voor de groep. En die groep overlegt ook, in samenwerking met artsen uiteraard, over wat toelaatbaar is. Laat ze er maar eens eerlijk over zijn, dat je de Tour niet op een boterham met pindakaas rijdt. Dat weet iedereen al lang. De UCI blijft gewoon tests uitvoeren, maar het verschil is nu dat als je betrapt wordt op iets dat je niet had overlegd en niet in je dagboek had geschreven, je er nu uitligt in de groep, in het peloton. Je bent van valsspeler nu een spelbreker geworden. En daar houdt het peloton niet van hadden we geconstateerd, van spelbrekers.

Naïef? Wellicht. Alhoewel de tendens al wel die kant op lijkt te gaan. Een aantal ploegen maakt bloedwaarden en testuitslagen al openbaar op de eigen websites. En het peloton zal eens moeten beseffen dat het zo niet door kan gaan. Het kan niet elke keer schande roepen van regels en dopingcodes als ze niet zelf het heft in handen nemen. Het kan niet steeds naar de UCI, de ASO, de WADA en het CAS wijzen als de renners zich niet eindelijk eens verenigen, écht solidair met elkaar zijn en niet steeds in de slachtofferrol kruipen of collega-renners die verzuipen in het systeem laten vallen als een baksteen. Zij zíjn het peloton, zij zíjn de sport. Zonder hen geen wielrennen, geen televisie-uitzendingen. Laten ze de Formule 1 eens als voorbeeld nemen. Daar streden de coureurs jarenlang tegen onveilige circuits, tegen onwillige circuiteigenaren die te beroerd waren geld uit te geven aan verbeteringen ten behoeve van de veiligheid. Het was een lange strijd, maar de coureurs verenigden zich, dreigden volkomen terecht met stakingen en kregen uiteindelijk hun zin.

Neem je verantwoordelijkheid renners, en stop met zeuren. Het heeft lang genoeg geduurd. Hoe lang blijkt wel uit dit citaat van Peter Winnen, over de beruchte Festina-Tour: ‘De Tour van 98 deed voor mij de deur dicht. Ik voelde mij als oud-coureur genaaid. Niet door de publicaties, maar door het milieu zelf. Ik voelde mij vies: daar heb ik verdomme ook bij gehoord. Die coureurs en ploegleiders hebben toen een geweldige kans laten liggen. Ze hadden moeten zeggen: “En nou zijn we het zat. Iedereen kan toch op zijn vingers natellen dat er in het hele peloton geen hond alleen maar op een vitaminepil rijdt. Die lijst slaat nergens op. Wij gaan nu eens openlijk discussiëren over wat wel en niet doping is.” Maar nee, ze lieten zich als een kudde makke schapen weer de weg op drijven. Echt niemand durfde. De renners niet, uit angst voor de ploegleiders; de ploegleiders niet, uit angst voor de sponsors.’

Het is nu bijna 24 jaar later. Renners, eis je sport terug. Maak van de valsspelers nu eens spelbrekers en zet alle talenten tot samenwerking die jullie altijd zo perfect laten zien in kopgroep en waaier nu eens in voor het grotere goed. Linkeballen is prima, maar graag alleen op de weg.

Tot slot, het boek. Hein Lodewijkx heeft een buitengewoon boeiende verhandeling geschreven. De theoretische delen en de wiskundige schema’s zijn soms even doorbijten, maar uiteindelijk zeer de moeite waard. Het is een boek vol met verhalen en anekdotes uit de rijke wielergeschiedenis, geschreven door iemand die het wielrennen duidelijk aan het hart gaat.

Dit stuk staat ook op Het is koers.

dinsdag 11 oktober 2011

Op papier: Millar en Cancellara

David Millar zei ooit over wielrenners: “They give off the image of exceptional men but in fact they are very, very ordinary. Simple people without much education, who aren’t fun to eat with, who don’t get into intellectual discussions. All they have in life is cycling. Without that, it’s finished.”

Zo’n citaat nodigt niet uit tot het lezen van boeken over wielrenners. Sporters hebben over het algemeen weinig interessants te vertellen, in interviews struikel je over gemeenplaatsen als ‘je eigen race rijden’, ‘ik heb alles gegeven’ en ‘meer zat er niet in vandaag’. Maar Millar laat met bovenstaand citaat al zien dat hij wellicht een uitzondering op de regel is. In Racing through the dark blijkt hij een prima verhalenverteller, uitstekend in staat tot zelfreflectie en een scherp observator van onze zo geliefde, maar vaak duistere wielerwereld. Het verhaal van een buitengewoon getalenteerd wielrenner die er al gauw achterkomt dat hij zonder doping uitzonderlijk goed is, maar toch vaak net niet goed genoeg, zou waarschijnlijk door honderd anderen verteld kunnen worden. Millar was niet de eerste en zal zeker niet de laatste renner zijn die zich voorneemt ‘schoon’ de top te bereiken maar uiteindelijk toch onder de druk bezwijkt.

Wat zijn verhaal zo boeiend maakt is simpelweg zijn vermogen het te vertellen. David Millar is intelligent en welbespraakt. Zijn wereld is groter dan het peloton, zijn blik reikt duidelijk verder dan de weg waarop hij fietst. Die weg leidt hem van jeugdkoersen in Engeland naar een pubertijd in Hongkong, waar hij bij zijn vader gaat wonen als die het gezin verlaat. De zomers die hij thuis bij zijn moeder doorbrengt staan geheel in het teken van wielrennen. De jonge David blijkt een groot talent en besluit zijn plannen om aan de kunstacademie te gaan studeren vaarwel te zeggen en in Frankrijk te gaan koersen. In 1997 wordt hij prof en komt terecht in een peloton dat ‘preparatie’ en ‘herstel’ voornamelijk met de naald regelt. Na een aantal jaren van tegenstribbelen gaat ook hij uiteindelijk overstag. Zijn epocalyps eindigt in 2004 een politiecel in Biarritz.

Millars verslag van zijn opkomst, ondergang en daaropvolgende rentréé als voorvechter van het ‘schone’ wielrennen leest als een klassieke Bildungsroman, met een hoofdpersoon die je afwisselend in de armen wil sluiten en een ontzettende schop onder z’n kont wil geven. Maar sympathiek of niet, geloofwaardig of niet (hij blijft een wielrenner tenslotte…), David Millar boeit. Ik kan me voorstellen dat zelfs niet-koerskijkers zijn verhaal interessant zullen vinden.

Het in Vlaanderen vertaalde en uitgegeven Cancellara, eerder in Zwitserland uitgegeven als Cancellara’s Welt, is van een andere orde. Geen autobiografie (degenen onder ons die ‘Faab’ van Twitter kennen zullen dat ongetwijfeld begrijpen), maar het werk van twee Zwitserse journalisten die niet alleen zijn carrière tot nu toe beschrijven, maar de man zelf ook meermaals interviewden, een gesprek hadden met zijn vrouw, oud-ploeggenoten, oud-ploegleiders en een aantal bekende Zwitsers (waaronder een filosoof en een cabaretier van Italiaanse afkomst). Het boek doet zijn best ook kritisch te zijn, en slaagt daar af en toe ook prima in. Vragen over doping en het beruchte motortje tijdens Parijs-Roubaix worden niet geschuwd, maar Cancellara’s Welt is de wereld van het wielrennen, meer niet.

Het beeld dat wordt geschetst is dat van een buitengewoon aimabel mens, een familieman, een lieve goeierd. Maar ook dat van een groot kind dat thuis het liefst soaps kijkt, door zijn (oudere en duidelijk wijzere) vrouw op cursus wordt gestuurd omdat hij zo slecht schrijft en vooral dat van een verschrikkelijke kletskous. Spartacus werd door zijn toenmalige ploeggenoot bij Mapei, Garzelli, zelfs tijdenlang volkomen genegeerd omdat die het onophoudelijke gebabbel (en het zingen..!) tijdens lange trainingsritten niet meer kon verdragen.

In tegenstelling tot David Millars boek is dat over De beer van Bern er echt één voor de fans. Maar het is absoluut onderhoudend en bij vlagen ontroerend. Het beeld van de Familie Cancellara die tijdens het eten altijd een laptop aan heeft staan zodat ze tijdens hun ‘tafelgesprekken’ dingen kunnen opzoeken die ze niet begrijpen is aandoenlijk. “Fancellara’s” kunnen het boek zonder zorgen aanschaffen, zelfs ondanks het nogal magere aantal foto’s… Niet-fans verwijs ik graag terug naar het citaat van Millar bovenaan.
Dit stuk staat ook op Het is koers!