Posts tonen met het label hetiskoers. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hetiskoers. Alle posts tonen

woensdag 30 mei 2012

Andy Schleck is een pannenkoek

Nee, het staat nergens. Tenminste, niet letterlijk. Maar ik meen me na het lezen van Michael Boogerds Handboek voor de Tour de France 2012 de vrijheid te kunnen veroorloven Boogerds gedachten over de jongste Schleck even samen te vatten. Want hij komt er niet best vanaf, het wonderkind dat steeds nét naast het geel grijpt. De trui die hij dinsdag in Luxemburg kreeg uitgereikt laten we maar even buiten beschouwing.

Goed, eerst eens over het boek. Het Handboek doet precies wat het zegt. Een puike vooruitblik op de komende Tour met een goed overzicht van alle etappes, alle ploegen, alle kanshebbers en uiteraard de standaard historische overzichten met winnaars, truien en klassementen. Niet origineel – er verschijnen elk jaar stapels van dit soort boeken – maar verdraaide handig en perfect om straks in juli naast de televisie te leggen.

Wat het boek anders en leuk maakt zijn de stukken genaamd Boogerds Blik. Daarin geeft hij zijn visie op elke etappe en elke kanshebber, gelardeerd met anekdotes over zijn dagen in het peloton. En omdat hij met veel nu nog actieve renners heeft gekoerst, zijn die buitengewoon informatief. Maar vooral zijn ze heerlijk openhartig. En de redacteur van het boek heeft gelukkig niet de fout gemaakt Boogerds verhaal te veel willen stroomlijnen. Hij klinkt op papier gewoon als zichzelf. Thomas Voeckler is ‘een kwal’, Liquigas kan op klimmetjes soms ‘schofterig doortrekken’ en koersen in Noord-Frankrijk is vreselijk deprimerend. ‘Word je ’s avonds weer afgegooid op zo’n industrieterrein met een Buffalo Grill, een Ibis en een Campanile.’

Boogerds Blik is waar het in dit boek omdraait. En precies daardoor is het bijzonder geslaagd. Het is verfrissend, gortdroog en erg geestig. Behalve dan als je fan van de gebroeders Schleck bent. Want die komen er niet best af. Ze zijn ‘gluiperige kwakkers’, ze kunnen ‘niet sturen’ en vinden zichzelf ‘heel cool’, maar zonder Fabian Cancellara ‘zijn ze nergens’. Over welk onderwerp of welke favoriet het ook gaat, overal weet Michael wel een linkje naar de Schleckjes te leggen. Vandaar dat ik in de titel de vrijheid nam zijn blik even samen te vatten. Al was het maar omdat ik zijn conclusie over de komende Tour de France deel. Dus, namens mijzelf en Michael Boogerd:

Cadel Evans gaat de Tour winnen. En Andy Schleck is een pannenkoek.

Handboek Tour de France 2012 – Michael Boogerd en Maarten Scholten.
ISBN 9789026325649
Uitgeverij Ambo/Anthos
Prijs: €15,00

Dit postje staat ook op Het is Koers

dinsdag 7 februari 2012

Tussen geven en nemen

De bedoeling was dat ik een recensie zou schrijven van Tussen geven en nemen van Hein Lodewijkx. En geen nood, opdrachtgever, auteur en uitgever, dat doe ik ook. Min of meer. Maar het toeval wil dat ik het boek uitlas op de dag dat de schorsing van Alberto Contador naar buiten kwam. En na een dag lang nadenken, discussiëren, me opwinden en proberen de zaak te snappen kwam ik tot de conclusie dat het boek van Lodewijkx me het perfecte handvat had gegeven voor een stuk over doping, dopingstraffen en hoe er mee om te gaan. En dat leek me een groter compliment voor een auteur dan droog vertellen wat ik van zijn boek vond.


Hein Lodewijkx is sociaal psycholoog. En wielerliefhebber – goed volk dus. Lodewijkx probeert in zijn boek het wielrennen te benaderen vanuit allerlei sociaal-psychologische begrippen. De allesoverheersende groepsdwang van het peloton komt aan de orde, maar ook het beroemde Prisoner’s Dilemma (wiki), dat buitengewoon goed en helder toepasbaar blijkt op allerlei klassieke wielersituaties, van linkeballen tot flikken, van combines tot dopingmisbruik. Maar vooral die groepsdwang, die groepscultuur – Omerta anyone? – is fascinerend en lijkt erg bruikbaar om de dopingkwestie op te lossen. Of in ieder geval eens helemaal anders te bekijken, want zo als het nu gaat, daar wordt helemaal niemand beter van.

Wielrennen kent valsspelers en spelbrekers. Die valsspelers, zij die de van buitenaf opgelegde regels van bijvoorbeeld fair play en doping overtreden, worden binnen het peloton vaak gewoon geaccepteerd. Ze passen zich immers aan de cultuur die in het peloton heerst en zolang ze maar niet teveel opvallen en geen misbaar maken, en vooral niet met de buitenwereld praten, kan de groep prima met ze leven. Spelbrekers daarentegen, daar heeft men een broertje dood aan in het peloton. Zo hard rijden dat het overduidelijk is dat je geprepareerd bent, zelfs vooraf aankondigen waar je je tegenstanders gaat vernederen, dat is not done. Vraag maar aan Riccardo Riccò. Of uit de school klappen over doping, je niet neerleggen bij de code van het peloton. Dat maakt je een spelbreker. Peter Winnen ervoer het nadat hij – jaren later nota bene- op televisie openlijk vertelde over zijn dopinggebruik. Hij verloor er goede vrienden door. Hij was een van een acceptabele valsspeler opeens een onacceptabele spelbreker geworden.

En daar, in dat mechanisme, ligt misschien wel de oplossing van het dopingprobleem. Als we er voor kunnen zorgen dat de cultuur binnen het peloton zo verandert dat valsspelers – zij die doping nemen- worden gezien als spelbrekers. Als we de groepsdwang juist inzetten als anti-doping instantie. Alle slechte dingen van het wielrennen zijn gebaseerd op groepsdwang – de angst om eruit te liggen- en op angst om te verliezen. Waarom niet iets positiefs beginnen gebaseerd op die mechanismen?

Lodewijkx stelt voor dat alle renners een dopingdagboek bijhouden. Alles wat ze op een dag binnenkrijgen, van supplement en vitamine tot wat dan ook. Dat dagboek houden ze niet bij voor de UCI of het WADA, nee, dat dagboek houden ze bij voor het peloton, voor de groep. En die groep overlegt ook, in samenwerking met artsen uiteraard, over wat toelaatbaar is. Laat ze er maar eens eerlijk over zijn, dat je de Tour niet op een boterham met pindakaas rijdt. Dat weet iedereen al lang. De UCI blijft gewoon tests uitvoeren, maar het verschil is nu dat als je betrapt wordt op iets dat je niet had overlegd en niet in je dagboek had geschreven, je er nu uitligt in de groep, in het peloton. Je bent van valsspeler nu een spelbreker geworden. En daar houdt het peloton niet van hadden we geconstateerd, van spelbrekers.

Naïef? Wellicht. Alhoewel de tendens al wel die kant op lijkt te gaan. Een aantal ploegen maakt bloedwaarden en testuitslagen al openbaar op de eigen websites. En het peloton zal eens moeten beseffen dat het zo niet door kan gaan. Het kan niet elke keer schande roepen van regels en dopingcodes als ze niet zelf het heft in handen nemen. Het kan niet steeds naar de UCI, de ASO, de WADA en het CAS wijzen als de renners zich niet eindelijk eens verenigen, écht solidair met elkaar zijn en niet steeds in de slachtofferrol kruipen of collega-renners die verzuipen in het systeem laten vallen als een baksteen. Zij zíjn het peloton, zij zíjn de sport. Zonder hen geen wielrennen, geen televisie-uitzendingen. Laten ze de Formule 1 eens als voorbeeld nemen. Daar streden de coureurs jarenlang tegen onveilige circuits, tegen onwillige circuiteigenaren die te beroerd waren geld uit te geven aan verbeteringen ten behoeve van de veiligheid. Het was een lange strijd, maar de coureurs verenigden zich, dreigden volkomen terecht met stakingen en kregen uiteindelijk hun zin.

Neem je verantwoordelijkheid renners, en stop met zeuren. Het heeft lang genoeg geduurd. Hoe lang blijkt wel uit dit citaat van Peter Winnen, over de beruchte Festina-Tour: ‘De Tour van 98 deed voor mij de deur dicht. Ik voelde mij als oud-coureur genaaid. Niet door de publicaties, maar door het milieu zelf. Ik voelde mij vies: daar heb ik verdomme ook bij gehoord. Die coureurs en ploegleiders hebben toen een geweldige kans laten liggen. Ze hadden moeten zeggen: “En nou zijn we het zat. Iedereen kan toch op zijn vingers natellen dat er in het hele peloton geen hond alleen maar op een vitaminepil rijdt. Die lijst slaat nergens op. Wij gaan nu eens openlijk discussiëren over wat wel en niet doping is.” Maar nee, ze lieten zich als een kudde makke schapen weer de weg op drijven. Echt niemand durfde. De renners niet, uit angst voor de ploegleiders; de ploegleiders niet, uit angst voor de sponsors.’

Het is nu bijna 24 jaar later. Renners, eis je sport terug. Maak van de valsspelers nu eens spelbrekers en zet alle talenten tot samenwerking die jullie altijd zo perfect laten zien in kopgroep en waaier nu eens in voor het grotere goed. Linkeballen is prima, maar graag alleen op de weg.

Tot slot, het boek. Hein Lodewijkx heeft een buitengewoon boeiende verhandeling geschreven. De theoretische delen en de wiskundige schema’s zijn soms even doorbijten, maar uiteindelijk zeer de moeite waard. Het is een boek vol met verhalen en anekdotes uit de rijke wielergeschiedenis, geschreven door iemand die het wielrennen duidelijk aan het hart gaat.

Dit stuk staat ook op Het is koers.

woensdag 18 januari 2012

De fietser in de windtunnel

ALS JE DAN WERKELIJK ZO BENIEUWD BENT, DAN WIL JE natuurlijk in de eerste plaats weten waar ik geboren ben, wat ik zo al in mijn jeugd uitgespookt heb, waar mijn ouders vandaan kwamen en wat ze uitvoerden voor ze met mij op- gescheept werden, en ga zo maar door; maar om je de waarheid te zeggen voel ik daar niks voor. Ten eerste omdat het me geen kuckelei interesseert, en ten tweede omdat mijn ouwelui een rolberoerte zouden krijgen als ik iets persoonlijks over ze vertelde. Op dat punt zijn ze verdraaid kleinzerig, vooral mijn vader. Ze zijn reuze geschikt en zo, daar niet van, maar o, zo gauw gepikeerd. Bovendien moet je niet denken dat ik van plan ben met mijn levensloop op de proppen te komen. Ik wou alleen maar wat vertellen over die waanzin die me tijdens De Tour overkomen is, dus voordat ik van slag af raakte en hier naar toe moest om weer een tijdje in de windtunnel te doen. Meer heb ik F. ook niet verteld, en die is nog wel mijn bloedeigen broer. Hij zit nu in Pamplona. Dat is niet zo ver hier vandaan, en hij komt me tussen iedere preparatie opzoeken.

Als ik naar huis toe mag, volgende maand misschien, dan komt-ie me halen. Hij heeft pas een Nissan gekocht – je weet wel, die kleine Japanse dingetjes, die een dikke tweehonderd kilometer per uur doen. Dat grapje heeft hem bijna vier mille gekost, maar hij zit tegenwoordig aardig in de slappe was. Vroeger niet. Vroeger, toen hij nog de minder getalenteerde was, fietste hij gewoon voor mij. Ken je Het Geheim van de Tijdrit, die bundel korte verhalen? Die is van hem. Het beste is Het Geheim van de Tijdrit zelf. Het gaat over een klein knulletje waar geen mens meer in gelooft omdat hij altijd tweede wordt. Het sneed door m’n ziel. Nu fietst-ie in Frankrijk om de Gele Trui, F. Als er één ding is waar ik de pee aan gezien heb, dan is het de Gele Trui wel. Praat me d’r niet van.

Maar ik wou mijn verhaal eigenlijk beginnen met die dag waarop ik naar Bruyneel ging. Bruyneel leidt die kostschool in Texas. Je zult er wel eens van gehoord hebben, of anders heb je de advertenties toch wel gezien. Ze adverteren in zowat alle tijdschriften, en altijd met een plaatje van een vlotte jongen die op de fiets een tijdrit rijdt. Alsof je bij Bruyneel de hele dag niets anders doet dan goed tijdrijden. Ik heb er zelfs nog nooit een dicht achterwiel gezien. En onder dat plaatje zetten ze dan altijd: “Sedert 1999 het opleidingscentrum waar jongens gevormd worden tot uitmuntende, hardrijdende wielrenners”. Waar halen ze het vandaan. Ze hebben in Texas geen greintje meer benul van vormen dan bij welke andere ploeg ook. En over die hardrijders zul je al evenmin je nek breken. Ik heb er alles bij elkaar misschien twee gekend. Hooguit. En die waren het waarschijnlijk al voor ze naar Bruyneel gingen.

Hoe het ook zij, het speelde zich af op die zaterdag toen ik tegen Contador reed. Van die ontmoetingen tegen Contador maakten ze altijd veel ophef in Texas. Het was de belangrijkste wedstrijd van ‘t jaar, en je werd geacht zo ongeveer harakiri te zullen plegen als Bruyneel niet won. Ik herinner me dat ik die middag om een uur of drie boven op het startpodium stond, vlak naast die stomme afteller die nog uit de Franse revolutie stamt. Ik kon vanaf die plek het hele parcours overzien en Cadel en Contador elkaar te lijf zien gaan. De jongens op de tribune kon je niet zo duidelijk onderscheiden, maar je kon ze horen brullen – massaal en opzwepend aan de kant waar Radioshack stond, omdat praktisch de hele Armstrong-clan er was, en magertjes en zielig aan de kant van Saxo Bank, omdat die gasten nooit wisten of de uitslag achteraf geldig zou zijn.

De reden dat ik boven op het startpodium stond in plaats van F. is dat omdat ze toen nog in mij geloofden. Ik was nota bene de kopman van het team. Moet je niet min over denken. We waren naar die Tour gekomen om hem te winnen. Alleen kon ik het gewoon niet. Weer niet. Ik had weer tijd verloren in de afdaling en nu kwam alles zoals altijd aan op die verdomde tijdrit. En het was allemaal mijn schuld. Ik kan het gewoon niet, nooit. Zodoende kwam ik drie kwartier later bij de streep, in plaats van driekwart minuut. De hele tijdrit lang heb ik er voor spek en bonen bij gezeten. Alles bij elkaar een nogal pijnlijke situatie.
(…)

Dat is alles wat ik er over ga vertellen. Ik had waarschijnlijk nog wel kunnen vertellen wat ik het komende jaar zou moeten doen, en naar welk team ik ga, maar ik heb er geen zin in. Echt niet. Het kan me niet meer schelen. Als je het écht wil weten… ik weet niet wat ik ervan moet denken. F. is nu de kopman. Het zal wel. Zijn windtunnel is vast beter geprepareerd dan de mijne.

Dit stuk staat ook op Het is Koers.

dinsdag 11 oktober 2011

Op papier: Millar en Cancellara

David Millar zei ooit over wielrenners: “They give off the image of exceptional men but in fact they are very, very ordinary. Simple people without much education, who aren’t fun to eat with, who don’t get into intellectual discussions. All they have in life is cycling. Without that, it’s finished.”

Zo’n citaat nodigt niet uit tot het lezen van boeken over wielrenners. Sporters hebben over het algemeen weinig interessants te vertellen, in interviews struikel je over gemeenplaatsen als ‘je eigen race rijden’, ‘ik heb alles gegeven’ en ‘meer zat er niet in vandaag’. Maar Millar laat met bovenstaand citaat al zien dat hij wellicht een uitzondering op de regel is. In Racing through the dark blijkt hij een prima verhalenverteller, uitstekend in staat tot zelfreflectie en een scherp observator van onze zo geliefde, maar vaak duistere wielerwereld. Het verhaal van een buitengewoon getalenteerd wielrenner die er al gauw achterkomt dat hij zonder doping uitzonderlijk goed is, maar toch vaak net niet goed genoeg, zou waarschijnlijk door honderd anderen verteld kunnen worden. Millar was niet de eerste en zal zeker niet de laatste renner zijn die zich voorneemt ‘schoon’ de top te bereiken maar uiteindelijk toch onder de druk bezwijkt.

Wat zijn verhaal zo boeiend maakt is simpelweg zijn vermogen het te vertellen. David Millar is intelligent en welbespraakt. Zijn wereld is groter dan het peloton, zijn blik reikt duidelijk verder dan de weg waarop hij fietst. Die weg leidt hem van jeugdkoersen in Engeland naar een pubertijd in Hongkong, waar hij bij zijn vader gaat wonen als die het gezin verlaat. De zomers die hij thuis bij zijn moeder doorbrengt staan geheel in het teken van wielrennen. De jonge David blijkt een groot talent en besluit zijn plannen om aan de kunstacademie te gaan studeren vaarwel te zeggen en in Frankrijk te gaan koersen. In 1997 wordt hij prof en komt terecht in een peloton dat ‘preparatie’ en ‘herstel’ voornamelijk met de naald regelt. Na een aantal jaren van tegenstribbelen gaat ook hij uiteindelijk overstag. Zijn epocalyps eindigt in 2004 een politiecel in Biarritz.

Millars verslag van zijn opkomst, ondergang en daaropvolgende rentréé als voorvechter van het ‘schone’ wielrennen leest als een klassieke Bildungsroman, met een hoofdpersoon die je afwisselend in de armen wil sluiten en een ontzettende schop onder z’n kont wil geven. Maar sympathiek of niet, geloofwaardig of niet (hij blijft een wielrenner tenslotte…), David Millar boeit. Ik kan me voorstellen dat zelfs niet-koerskijkers zijn verhaal interessant zullen vinden.

Het in Vlaanderen vertaalde en uitgegeven Cancellara, eerder in Zwitserland uitgegeven als Cancellara’s Welt, is van een andere orde. Geen autobiografie (degenen onder ons die ‘Faab’ van Twitter kennen zullen dat ongetwijfeld begrijpen), maar het werk van twee Zwitserse journalisten die niet alleen zijn carrière tot nu toe beschrijven, maar de man zelf ook meermaals interviewden, een gesprek hadden met zijn vrouw, oud-ploeggenoten, oud-ploegleiders en een aantal bekende Zwitsers (waaronder een filosoof en een cabaretier van Italiaanse afkomst). Het boek doet zijn best ook kritisch te zijn, en slaagt daar af en toe ook prima in. Vragen over doping en het beruchte motortje tijdens Parijs-Roubaix worden niet geschuwd, maar Cancellara’s Welt is de wereld van het wielrennen, meer niet.

Het beeld dat wordt geschetst is dat van een buitengewoon aimabel mens, een familieman, een lieve goeierd. Maar ook dat van een groot kind dat thuis het liefst soaps kijkt, door zijn (oudere en duidelijk wijzere) vrouw op cursus wordt gestuurd omdat hij zo slecht schrijft en vooral dat van een verschrikkelijke kletskous. Spartacus werd door zijn toenmalige ploeggenoot bij Mapei, Garzelli, zelfs tijdenlang volkomen genegeerd omdat die het onophoudelijke gebabbel (en het zingen..!) tijdens lange trainingsritten niet meer kon verdragen.

In tegenstelling tot David Millars boek is dat over De beer van Bern er echt één voor de fans. Maar het is absoluut onderhoudend en bij vlagen ontroerend. Het beeld van de Familie Cancellara die tijdens het eten altijd een laptop aan heeft staan zodat ze tijdens hun ‘tafelgesprekken’ dingen kunnen opzoeken die ze niet begrijpen is aandoenlijk. “Fancellara’s” kunnen het boek zonder zorgen aanschaffen, zelfs ondanks het nogal magere aantal foto’s… Niet-fans verwijs ik graag terug naar het citaat van Millar bovenaan.
Dit stuk staat ook op Het is koers!

dinsdag 20 september 2011

De tijd en zijn rit.

Tijdrijden. Het is een ondergeschoven kindje. Saai vinden we het. Zo’n man op zo’n fiets. Beetje hard vooruit rijden. Op een vlak parcours ook nog. Want een klimtijdrit is geen tijdrit. Dat is in je eentje klimmen. Bovendien zijn klimtijdritten zeldzaam. Uiteraard kijken we a.s. woensdag wel, want het is tenslotte een WK en koers is koers, maar het is voor velen toch een beetje zoenen voor het de kerk in gaan. Halverwege een pepermuntje en maar wachten op de hoogmis, de wegrit. Want dat is de ware. Zeggen ze.

Vreemd eigenlijk, voor een volk dat zo van schaatsen houdt. Als iets leeft bij de kunst van het tegen de klok rijden zijn het wel die rondjes 31.8 over een winderige ijsbaan of in een tochtige hal. En dat vindt half Nederland prachtig. Kom niet aan ons schaatsen. Tien jaar geleden woonde ik in Engeland, alwaar schaatsen net zo exotisch is als cricket hier. En schaatsen kijken met Engelse commentatoren is een bloedeloze toestand: “Ah, he’s is still ahead”, “Lap 13 now, the man in front seems to be extending his lead” en “Jolly good, he won, isn’t that fabulous?” En ik maar tegen de televisie roepen dat ze niet tegen elkaar reden. Op die manier raakt zelfs de meeste toegewijde schaatsfan ontmoedigd.

Zet echter rondetijden en iemand met verstand van zaken bij schaatsen en de eindeloos lijkende rondjes veranderen in een verhaal van één man in een slopend gevecht met vierhonderd meter ijs. De geringste verandering in de houding van de schaatser verraadt aan ons, de ingewijden, dat er een tiende verval aan komt deze ronde. Prachtig vinden we het. We schrijven de seconden mee en schreeuwen bij de kleinste misslag. Maar wanneer de schaatsbonden besluiten te ‘moderniseren’ en afvalraces gaan organiseren, vindt niemand er iets aan en neemt bond én publiek het amper serieus. Man tegen man, ploeg tegen ploeg! Wielrennen dus. Het lijkt de omgekeerde wereld.

‘Sporten tegen de klok’ staat of valt bij de expertise en goede wil van de regisseur, een goed functionerende tijdwaarneming en kundige verslaggevers. Is die heilige drie-eenheid aanwezig, dan is er weinig mooier dan de heroïsche strijd van de man contre-la-montre. De vernedering ingehaald te worden door iemand die anderhalve minuut na jou startte. Het aansnijden van die allerlaatste bocht, zo scherp dat het onmogelijk lijkt. Seconden tikken weg. Een roerloos bovenlichaam dat volkomen in lijn met het wegdek boven de fiets hangt. Alleen de benen bewegen. Legato. Omwenteling na omwenteling. Voeg daar aan toe het zachte zoef… zoef… zoef… van het dichte achterwiel, als de commentator op het juiste moment even z’n mond houdt, et voilá: wielrennen. Zonder fratsen. Fietsen in z’n puurste vorm. Zó sterk is die eenzame fietser dus. En wij mogen daar getuige van zijn. Is het al 21 september?

Dit stuk staat ook op Het is Koers!

dinsdag 6 september 2011

Ja, ik heb trek in de Shack!

Op de avond van de tweede rustdag in de Vuelta kwam dan eindelijk de bevestiging van het al lang rondzoemende gerucht: Leopard Trek en Radioshack gaan fuseren. Omdat Leopard een nogal bizar persbericht de wereld instuurde, waarin met geen woord over Johan Bruyneel werd gerept, was er nog even twijfel (en bij sommigen ongetwijfeld hoop) over de rol van ‘JB’ in de nieuwe ploeg, maar de ochtend erop maakte Livestrong een einde aan alle verwarring: De Schleckjes gaan voor Bruyneel rijden. Voor Radioshack-Nissan-Trek. En ook voor Livestrong. Eigenlijk voor Armstrong dus. Die van die gele bandjes. De man die voor velen hun Tour verpestte. Die man waar we maar niet van afraken, lijken een hoop mensen te denken.

Wat rondstruinend op wielerforums en op Twitter zag ik de woede en afschuw met de minuut groeien: “Ik had al een hekel aan die Luxemburgers met hun malle sjaaltjes, maar nu ze hun ziel hebben verkocht aan de satan hoef ik ze echt nooit meer te zien”. En “Wel makkelijk, nu hoef ik geen hekel aan twee teams meer te hebben, ik kan al mijn gal kwijt bij Schleck en Bruyneel.”

De haat zit diep. Fränk, Andy en Fabian zijn de grote boze verraders die eerst die arme, onschuldige Bjarne Riis in de steek lieten en nu voor de tweede keer een team opblazen. En hoe. Ze gaan met Bruyneel in zee! B r u y n e e l !! Hoe halen ze het in hun hoofd? Weten ze dan niet dat als je Bruyneel achterstevoren schrijft er eigenlijk Duivel staat gespeld? En dat Lance Armstrong hoogstpersoonlijk vóór elke rit over die Livestrongbandjes heenplast, omdat je daar harder van gaat fietsen? Ze zijn geel nota bene, hallo! En die arme Contador, hoe moet die nu nog ooit de Tour winnen? Het is een schande, die hele fusie. UCI, doe er iets aan!

Heerlijk. Ik meen het, wat een feest. Ik kan niet wachten op 2012. De beste ploegleider gaat de beste ploeg leiden. Andy Schleck gaat leren dalen en misschien zelfs wel beter tijdrijden. Ik weet zeker dat broer Fränk The Look al aan het oefenen is in de spiegel. Fabian Cancellara gaat Tony Martin weer ouderwets zijn iconische kont tonen en in de Alpen wordt het smullen van US Postalesque bergtreintjes. Keiharde dominantie, geslepen koersinzicht en vernederende overmacht. Kom maar op!

Komende zomer staan er in Parijs weer twee Luxemburgers op het podium. Alleen nu niet meer op dezelfde hoogte. Eén zal er op het bovenste treetje staan. En erachter zal een grijnzende Johan Bruyneel te zien zijn. Eindelijk tien Touroverwinningen. Laat de haters maar haten, de winnaar heeft altijd gelijk.

Dit stuk staat ook op Het is Koers!

vrijdag 19 augustus 2011

Mal sehen.

Opeens vraag ik het me af: Hoe zou het toch met Stefan Schumacher zijn? Ik keek onlangs een Avondetappe uit 2008 terug, en tussen al het geweld over de arrestatie van Riccardo Riccò door zag ik hem opeens voorbijflitsen. Nou ja, flitsen. Hij reed hard ja, maar erg stijlvol was het allemaal niet. En toch die twee tijdritten winnen. Destijds keek ik er niet van op. Er is er altijd wel één die je verrast en opeens in het geel rijdt. Onaantrekkelijke, saaie renner, het zal wel.

Totdat Riccò door de Franse politie op 17 juli 2008 uit die Saunier Duval bus werd getrokken. CERA. Voor mij was het een nieuw woord. Derde generatie EPO. Ergens had ik bijna medelijden met al die renners die oprecht gedacht zullen hebben dat hun nieuwe wondermiddel nog niet te traceren was. Daar sta je dan, aan de start, wetend dat jij hetzelfde hebt geslikt als De Cobra. Bijzonder eigenlijk, dat je dan nog doorfietst. Een sleutelbeen breken is gauw geregeld lijkt me. Desnoods een geschaafde kont. Afstappen, verder trainen en iets nieuws verzinnen. Meedoen aan de Olympische Spelen is toch wel het laatste wat je dan doet.

Maar misschien niet als je Stefan Schumacher bent. ’s Mans loopbaan was een aaneenschakeling van vage dopingverhalen. Een recept van zijn moeder voor hooikoorts, rare bloedwaarden vanwege diarree, amfetamine tijdens een alcoholcontrole. Blijkbaar geloofde hij zelf in het bord voor z’n kop. En hij kwam er een tijd lang mee weg tenslotte. Mensen gaan zich door minder onaantastbaar voelen.

Al googelend kom ik de website van Schumacher tegen. Eerst moet ik er een beetje om lachen. Dat rare hoofd met dat nog steeds erg foute ringbaardje. Maar gaandeweg raak ik ontroerd. Stefan is 30, een leeftijd waarop de meeste renners op of net onder hun top zitten. Hij zegt het zelf ook: “Ich komme jetzt in das beste Rennfahreralter und ich habe das Gefühl, dass ich noch einiges erreichen kann”. Ik zoek op wat hij gedaan heeft dit jaar, het jaar van zijn comeback. Top 10 in drie etappes van de ronde van Calabrië. Eerste in twee etappes van de Ronde van Asturië. Hij won de proloog in de Ronde van Azerbeidzjan. Je moet ergens beginnen, ik weet het. En dat Schumacher kan fietsen staat buiten kijf, van doping alleen wordt niemand een topsporter. Maar toch, zou hij het zelf geloven?

Z’n laatste blogpost is van Januari 2011. Hij schrijft: “Bis auf eine kleine Erkältung über Weihnachten und Silvester ist die Vorbereitung also richtig gut verlaufen. Jetzt freue ich mich auf die ersten Wettkampfkilometer. Ich fühle mich fit und bin guter Dinge, dass ich eine ordentliche Saison fahren kann. Mal sehen, wie die ersten Rennen laufen”. Mal sehen ja, hoe het loopt. Zal iemand hem ooit weer in een topploeg willen? Wie gaat dat risico nemen? Ik hoop dat het wat wordt voor Stefan. Ik hoop ook dat hij het niet verzint, als hij schrijft: “Eure Zuschriften und Autogrammwünsche in den letzten Monaten haben mich sehr gefreut”. Echt, sturen mensen hem nog verzoeken om een handtekening? Dat zou mooi zijn.

Hup Stefan, fietsen. Maar geen recepten meer aan je moeder vragen, oké?


(Dit stuk staat ook op Het is koers! )

zaterdag 2 juli 2011

Het wit van Johan van der Velde

Natuurlijk, de Giro is mooier. Nu ja, mooier. Spectaculairder. Als je houdt van vangnetten en zandpaden. En de Vuelta, ja, die is zo prachtig. Die Vuelta is, die is… ach, weet je, ik spreek geen Spaans. En ik ken die plaatsnamen wel, maar de plaatsen niet. Het is er heet, woest en meedogenloos, maar het heeft geen zin. Het is geen Tour. Die geschiedenis, die ervaring haal ik nooit meer in. Ik begon te vroeg. Eerst met het in fonetisch Frans bestellen van een Orangina et deux bières. Inmiddels red ik me een generatie later prima met alleen die deux bières. Pressions uiteraard. Oui. Doet u mij alstublieft de Tour. Merci bien.

En doet u mij dan s’il vous plait die Tour van 1980, die Tour waarmee ik geen kennerskwissen win, want ik was acht. Of eigenlijk bijna zeven, want ik verjaar in augustus. Maar die witte trui vergeet ik nooit. Achteraf was de Tour van tachtig natuurlijk de Tour van Joop, en als je het mijn vader vraagt zal hij dat meteen beamen, maar ik weet het niet meer. Echt niet. Alles wat ik weet is Johan. Johan van der Velde. In z’n witte trui. Ik weet dat we ondanks mijn moeders gemopper elke dag rond half drie van het strand vertrokken omdat er op de camping Tour gekeken diende te worden. Dus gingen we ’s ochtends om tien uur al richting kust, draaiden ons elk half uur om, haalden côtes de porc bij de boucherie en liepen op het heetst van de dag huiswaarts richting campingkantine. En dat kantinegeluid vergeet ik nooit. Ik verstond er niets van, maar de klanken bepalen nu nog mijn zomergevoel. Dat licht hysterische gebabbel dat elke wieleromroeper eigen is, maar dan in het Frans. En in dat Touromroepersfrans klinkt alles prachtig. Ik herinner me de witte muren van de kantine, de oncomfortabele plastic stoeltjes, de tv die hoog in een hoek hing. Joean Vàndervelde. Ai reet zoo harde toen. Ai von alles, tout! Un grand spectacle.

Van der Velde maakte er later een potje van. Ging uit stelen om z’n verslaving te bekostigen. Ik wist dat toen niet. En heb me er eerlijk gezegd ook nooit in verdiept later. Elke wielerliefhebber kan er ongetwijfeld hele nachten over doorhalen, die Tour van tachtig. Hennie Kuiper werd tweede, achter Joop. Hinault reed ook nog een paar dagen in het geel. De Mart wijdde er een heel boek en (hoe commercieel, foei!) een hele reeks avondetappes aan onlangs. Raleigh, natuurlijk, Raleigh. Altijd Raleigh. Maar voor mij was die zomer van tachtig de start van de liefde van mijn leven. Het nieuwsgierig binnenstappen van een Franse kantine is inmiddels vervangen door thuis de tv aanzetten, want in Juli naar Frankrijk gaan is vragen om overvolle campings, maar het gevoel is nog steeds hetzelfde. En soms, op zo’n zeldzame ochtend met die ene bergrit die vanaf het begin wordt uitgezonden, soms is het opeens warm in huis. Te warm. Dan voelt de bank als dat plastic kantinestoeltje. Een zwetende bilnaad. Het zand nog tussen te tenen. Opeens is het zomer en klinkt het achtergrondgeluid van de Franse omroeper harder dan de stem van de televisie. Dan loop ik vergeefs naar de koelkast voor een Orangina en verlang naar de witte trui. Want die kende ik het eerst. Die witte trui. Eerst Johan, dan Joop.

Dit stuk staat ook op "Het is koers!"

donderdag 30 juni 2011

Schone Tour

De Tour komt eraan en dus vullen de kolommen van de sportkaternen zich zo langzaamaan weer met doping. Het paardenmiddel van Vansevenant en de ‘razzia’ van woensdag in Frankrijk zijn vast nog maar het begin. Bij L’Equipe hebben ze ‘à deux vitesses’ vast al onder de copypaste-knop. We zijn er allemaal zo langzamerhand aan gewend.

Een gedachtenexperiment. Stel nou hè, dat wielrennen echt schoon wordt, ergens in de (nabije) toekomst. He-le-maal schoon. 100%. Niemand wordt meer betrapt, niemand gebruikt en de tests zijn zo goed dat we met volledige zekerheid kunnen zeggen dat al onze helden inderdaad op een boterham met kaas door Frankrijk rijden. We kunnen zelfs testen op wat nog niet eens bestaat. (Ik waarschuwde u, het is een experiment). De suggestie van doping wordt als zinloos en zelfs schandalig afgedaan. Zo iemand als Ricco, we kunnen het ons niet meer voorstellen. “Echt, vroeger spoten renners zichzelf bloed in?” EPO, Clenbuterol, bloedpaspoorten, ze zijn allemaal verworden tot herinneringen aan een vaag en duister verleden. Een verleden waar men liever over zwijgt, want het blijft wielrennen natuurlijk.

Zo’n schone toekomst, klinkt u die aantrekkelijk in de oren? Nooit meer zorgen om doping bij het invullen van uw Tourprono, dat is zeker. De winnaar van de Tour blijft de winnaar van de Tour, tot in de eeuwigheid. Over uitslagen wordt niet meer gecorrespondeerd. En een moordende tempoversnelling gevolgd door een “Het is niet te geloven!” van de televisiecommentator zorgt niet meer voor opgetrokken wenkbrauwen. Geen ellenlange discussies meer tijdens de nabeschouwingen ’s avonds. Geen gekke Landissen meer, geen rare dode tweelingbroertjes van Tyler Hamilton. Gewoon, alleen fietsen. Aan onze sport geen polonaise meer. Prachtig toch?

Mwah. Ik weet het niet. Ik geloof dat ik het vreselijk zou missen. Ik zit niet te wachten op de Brave New World van het Nieuwe Wielrennen. Ik geef eerlijk toe dat ik ook van de zwarte kant van het wielrennen geniet. Ik scan L’Equipe op dopage en zit aan de tv gekluisterd als De Mart de Avondetappe weer eens met zo’n dreigende mededeling begint. Ik ben geschokt, begrijp me niet verkeerd, ik ben er elke keer weer bedroefd en boos over. Maar dat gevoel, dat “verdomme, alweer?” dat hoort er óók bij. Dat draagt óók bij aan mijn Tourkoorts. En daar ben ik nog het meest aan gehecht, die Tourkoorts.

Dit stuk staat ook op "Het is Koers!"

woensdag 8 juni 2011

Alberto Contador is een natte tosti

Jaja, dat moet natuurlijk: “Ik vind Alberto Contador een natte tosti” zijn, maar je begint een stukje niet met ik. En bovendien levert zo’n statement meer gemor op. En gemor is goed.

Contador gaat de Tour winnen, als hij meedoet. Daar helpt geen lieve Luxemburger aan. En misschien pakt-ie de Vuelta ook nog wel mee. De heilige drie-eenheid. Het is hem gegund. Hij is ongetwijfeld de beste renner die we nu hebben. Aan zeven grote rondes meedoen en er zes winnen is geen kattenpis. Hij danst de bergen op, hij snijdt als een mes door de tijdritboter, hij was overduidelijk ongenaakbaar in de Giro. Ik weet het. Het is ongeëvenaard. En toch. Ik kan er niets mee, die Pistolero. Er zijn eigenlijk maar twee soorten mooie wielrenners. De hardwerkende, afziende mannen met de mijnwerkers-gezichten (Der Jan) en de klootzakken en de kannibalen. De Armstrongs en de Merckxen van deze wereld.

Zeg nou eens eerlijk, er is toch niets aan, aan die hele Contador? Hij is saai, suf en alles behalve spraakmakend. Hij geeft links en rechts overwinningen weg. Uiteraard om hulptroepen in te schakelen voor de komende Tour, maar het blijft gewoon je zak knikkers weggeven omdat je vriendjes anders niet met je willen spelen. Armstrong gaf ooit één overwinning weg. Eén keer. Daarna was ie genezen. Ik kan het niet aanzien. Echte mannen gaan door rood als ze de vod zien. Niks vriendjes. Die Tour win je of alleen of omdat iedereen bang voor je is.

En áls Bertje dan eens een hufter is, een echte winnaar, als hij wegrijdt bij de kapotte ketting van Schleck, biedt hij dezelfde avond nog zijn excuses aan! Hij huilde bijna! “Nee, maar ik bedoelde het niet zo en gut wat een nare man ben ik toch”. Quatsch Bert! Fietsen moet je. Je bent een geweldige atleet, een elegante wielrenner, een geniale klimmer en diep in je hart ook gewoon een klootzak. Jij hebt ook narigheid overwonnen, je was ook bijna dood. Je hebt een geweldig verhaal. Dus gebruik dat krediet dat je hebt, ontwerp desnoods een polsbandje met Cero cero cero cero cero cero cero erop, maar doe iets. En win. Win meedogenloos. Win elke etappe, naai iedereen in het pak, wordt de Michael Schumacher van het peloton. Dan kan ik wat met je. Dan verandert mijn instemmende knikje als je over de streep fietst misschien in een gebalde vuist. En wie weet zelfs in een Pistolero-gebaar. Want ik wil het zo graag. Echt.

HUP BERT!

Dit stuk staat ook op Het is koers.

dinsdag 24 mei 2011

De Lens

Heeft Lance Armstrong doping gebruikt? Eh, ja. Dat denk ik wel. Ik kijk al 30 jaar wielrennen én ik ben gekke Henkie niet. Overigens leidt het één vaak automatisch tot het ander.

Gaat het daarom? Of hij heeft gebruikt? Ja, wel als je de sport schoon wil maken. En dat schijnt de bedoeling van de UCI te zijn. Daar kun je over twijfelen, want jarenlang werd er helemaal niets gezuiverd. Integendeel. De UCI nam hoogstwaarschijnlijk geld aan van Lance en zijn grote vriend Bruyneel om de opsporingsmethoden te verbeteren en tegelijkertijd een oogje dicht te knijpen. Een mooi geval van win-win. Letterlijk.

Daar gaat het echter níet om als je wil weten of Armstrong een goede wielrenner was. En een terechte winnaar. Als je meer dan tien jaar rondrijdt in een peloton vol met epo-slikkers en je wint zeven keer de Ronde aller Rondes, dan ben je gewoon de beste wielrenner van jouw generatie. In het land der blinden is de snelste blinde koning. Toch? Je kunt wel elke foute renner achteraf uit de uitslag willen schrappen, maar gele truien aan rode lantaarns geven doen we alleen in kermiskoersen.

Dus wat gebeurt er nu? Armstrong is nooit betrapt. Ja, misschien die ene keer in de Ronde van Zwitserland in 2001, maar die uitslag is nooit geopenbaard, wellicht om bovenstaande redenen. Dus tenzij dat Zwitserse plasje nog ergens is, is het er niet. Gaan we dan nu een groot sportman op meineed pakken? Als we geen bewijs van positieve tests hebben is dat het enige wat overblijft. Net zoals Al Capone uiteindelijk alleen op belastingfraude werd veroordeeld. Het duurt even, maar dan heb je ook niks.

Van mij mag het hoor. Barbertje moet hangen blijkbaar. Als het helpt om mijn geliefde sport weer op het rechte pad te helpen vind ik het prima. Maar ergens heb ik het gevoel dat het daar helemaal niet om gaat. Gepakt is gepakt, niet gepakt is volgens de regels onschuldig. Tot het tegendeel bewezen wordt. Maar dat bewijs zie ik dan graag in de vorm van een ingevroren test van The Boss, die alsnog positief blijkt. En niet via George Hincapie, Tyler Hamilton, Floyd Landis en veroordelingen op meineed zoals in de Marion Jones zaak.

Als iemand mij de positieve plas van De Lens toont breekt stom genoeg alsnog mijn hart. Een mens droomt soms te lang door. Maar als hij voor liegen over iets waar iedereen over loog (en liegt) naar de gevangenis gaat, iets wat hoegenaamd niets meer met sport te maken heeft, dan weet ik niet of ik ‘een glas, een plas en alles gaat verder zoals het was’ kan doen.


Dit stuk staat ook op Het is Koers.

vrijdag 25 februari 2011

Wielrennen voor beginners


Een korte cursus, op verzoek van @LayladeJong

Disclaimer: Ik ben geen wielerkenner, maar een wielerliefhebber. ‘Vergeten wielrenners’ ben ik gewoon vergeten. De nummer drie van Kuurne-Brussel-Kuurne  uit 1963? Geen idee. Oh, en ik fiets niet. Alleen naar de Albert Heijn.

Goed, wielrennen. Fietsen. Koers. Het mag allemaal. Alhoewel ‘koers’ eigenlijk staat voor het moment dat een wedstrijd, vaak na een lange tijd van schijnbaar onbeduidende ontsnappingen, echt losbarst. ”Het is koers!” doet bij de wielerliefhebber het bloed sneller stromen. Op twitter roept u dan ook meteen HET IS KOERS zodat iedereen weet dat het spannend wordt. Vaak valt ‘koers’ overigens precies samen met dat moment op zaterdag- of zondagmiddag waarop de meeste mensen een biertje pakken of een fles wijn opentrekken. Want zo is wielrennen, het laat zich uitstekend combineren met de middagplop. Tijdens de grote rondes wordt ook voor de avondplop gezorgd, u beschouwt dan urenlang na met Karl Vannieuwkerke en Mart Smeets. En een lekker blokje kaas. Of worst.

Bij ‘koers!’ in een bergetappe knalt de kopgroep uit elkaar als de eerste echte klimmer zich tegen een op het oog belachelijk steile helling omhoog zwoegt. Zitten er in die kopgroep geen mannen die meedoen voor het algemeen klassement, dan mogen zij winnen. Vaak zal de camera zich in dat geval al gauw op de groep favorieten voor de eindzege van de ronde richten, want zij vechten ‘de koers in de koers’ uit. Wees als beginnend kijker dus niet verbaasd dat alle aandacht uitgaat naar de man die als tiende over de streep komt. U gaat het vanzelf begrijpen. Om mee te kunnen praten moet u ook af en toe iets over het ‘verzet’ van de renner roepen. Als hij langzaam ronddraaiend naar boven lijkt te zwoegen draait hij een groot verzet. Als hij zijn benen heel snel ronddraait en naar boven lijkt te dansen, draait hij een klein verzet. Of heeft hij de juiste doping gebruikt natuurlijk.

In een vlakke etappe is het ‘koers!’ als een favoriet ontsnapt, of als het ‘op de kant’ gaat. Daar is sprake van als de renners waaiers moeten vormen om elkaar uit de wind te houden. Laat een renner zich verrassen door de wind, dan ‘mist hij de slag’. De arme drommel zal moeten laten zien hoe sterk de eenzame fietser is. En dat is die eenzame fietser vaak niet, tenzij hij een tijdrijder is. Een tijdrit is een wedstrijd waarin de renners tegen de klok rijden, niet tegen elkaar. Meestal wint Cancellara deze ritten. Cancellara noemt u Spartacus. Spartacus werd er van beschuldigd een motortje te hebben. Daarover had u de grap Spartamet kunnen maken. Doe dat maar niet meer.

Ook in een vlakke etappe zal er vaak een groepje renners in het begin van de race ontsnappen. Meestal worden zij een kilometer of tien voor de finish teruggepakt door het peloton. Dan begint de echte wedstrijd en zullen de ploegen met een goede sprinter in hun gelederen ‘treintjes’ gaan vormen om hun man aan de overwinning te helpen. Is dat dan niet nutteloos, die eerste 180 kilometer, vraagt u zich misschien af. Nee. Dat is nu eenmaal zo afgesproken, en bovendien hebben wij wielerkijkers inderdaad echt niets leukers en beters te doen. Fietsen is fietsen.

In de bovenstaande alinea’s heb ik het over etappes. Etappekoersen zijn meerdaagse wedstrijden, rondes dus. De Ronde van Frankrijk, De ronde van Spanje en De Ronde van Italië zijn de bekendste. De allerbekendste ronde is De Ronde. Die wordt verreden in Vlaanderen en heet daarom De ronde van, u raadt het al, Vlaanderen. De RVV is geen etappekoers maar wordt in één dag verreden. Dat is helemaal niet onlogisch. De start van het wielerseizoen begint elk jaar in België, met eendagskoersen als De Omloop Het Volk en Kuurne-Brussel-Kuurne. Al deze koersen zijn een opmaat naar de hoogmis van het voorjaar, voornoemde RVV.

Wat is nou leuker zult u vragen, eendagswedstrijden of rondes? Dat is een zinloze vraag, ze zijn allemaal geweldig en u moet dus het hele wielerseizoen alles kijken. Voor u het weet is het seizoen afgelopen, valt u in een zwart gat en verlangt u terug naar een verregende E3-prijs of een dodelijk saaie vlakke martelgang waarbij op het eind Cavendish toch weer wint. Dus u kijkt van eind februari (Omloop) tot half oktober (Lombardije). Begrepen?

Waar kijkt u. Dat is een belangrijke vraag. Bent u geïnteresseerd in Franse kastelen, goede riviertjes om met uw kano te varen, verhandelingen over het nieuwe wielrennen, tweeduizend jaar beschaving en een commentator die u vertelt wat u net zelf heeft gezien, dan kijkt u naar Herbert Dijkstra en Maarten Ducrot. Wilt u weten wat er in de koers gebeurt, overgoten met een flinke laag Vlaams chauvinisme, dan kijkt u op Sporza. U zegt dan overigens dat u naar ‘De Belg’ kijkt.  Ook Mart Smeets becommentarieert nog wel eens een wedstrijd, daar kijkt u naar als u wil raden welke renner Mart eigenlijk bedoelt met Molkema, Kiersen en Boogaart. Ook tellen hoe vaak Smeets Maarten Ducrot Martijn noemt is een prima tijdverdrijf. 

Tot slot, we ontkomen er niet aan, doping. Ja, dat is er. Wij wielerkijkers weten dat. En als er weer een renner betrapt wordt breekt ons hart. Maar wij lijmen dat gauw, want anders kunnen we geen fietsen meer kijken. En zonder fietsen is het leven zinloos. Bovendien, als ‘iedereen’ gebruikt, en jij bent de snelste, dan ben je toch gewoon nog steeds de snelste? Toch?


NB: In 1963 werd Willy Bocklandt derde in Kuurne-Brussel-Kuurne. Noël Foré won.



(Dit stuk staat ook op Het is koers)