Als
ik naar huis toe mag, volgende maand misschien, dan komt-ie me halen.
Hij heeft pas een Nissan gekocht – je weet wel, die kleine Japanse
dingetjes, die een dikke tweehonderd kilometer per uur doen. Dat grapje
heeft hem bijna vier mille gekost, maar hij zit tegenwoordig aardig in
de slappe was. Vroeger niet. Vroeger, toen hij nog de minder
getalenteerde was, fietste hij gewoon voor mij. Ken je Het Geheim van de
Tijdrit, die bundel korte verhalen? Die is van hem. Het beste is Het
Geheim van de Tijdrit zelf. Het gaat over een klein knulletje waar geen
mens meer in gelooft omdat hij altijd tweede wordt. Het sneed door m’n
ziel. Nu fietst-ie in Frankrijk om de Gele Trui, F. Als er één ding is
waar ik de pee aan gezien heb, dan is het de Gele Trui wel. Praat me d’r
niet van.Maar ik wou mijn verhaal eigenlijk beginnen met die dag waarop ik naar Bruyneel ging. Bruyneel leidt die kostschool in Texas. Je zult er wel eens van gehoord hebben, of anders heb je de advertenties toch wel gezien. Ze adverteren in zowat alle tijdschriften, en altijd met een plaatje van een vlotte jongen die op de fiets een tijdrit rijdt. Alsof je bij Bruyneel de hele dag niets anders doet dan goed tijdrijden. Ik heb er zelfs nog nooit een dicht achterwiel gezien. En onder dat plaatje zetten ze dan altijd: “Sedert 1999 het opleidingscentrum waar jongens gevormd worden tot uitmuntende, hardrijdende wielrenners”. Waar halen ze het vandaan. Ze hebben in Texas geen greintje meer benul van vormen dan bij welke andere ploeg ook. En over die hardrijders zul je al evenmin je nek breken. Ik heb er alles bij elkaar misschien twee gekend. Hooguit. En die waren het waarschijnlijk al voor ze naar Bruyneel gingen.
Hoe het ook zij, het speelde zich af op die zaterdag toen ik tegen Contador reed. Van die ontmoetingen tegen Contador maakten ze altijd veel ophef in Texas. Het was de belangrijkste wedstrijd van ‘t jaar, en je werd geacht zo ongeveer harakiri te zullen plegen als Bruyneel niet won. Ik herinner me dat ik die middag om een uur of drie boven op het startpodium stond, vlak naast die stomme afteller die nog uit de Franse revolutie stamt. Ik kon vanaf die plek het hele parcours overzien en Cadel en Contador elkaar te lijf zien gaan. De jongens op de tribune kon je niet zo duidelijk onderscheiden, maar je kon ze horen brullen – massaal en opzwepend aan de kant waar Radioshack stond, omdat praktisch de hele Armstrong-clan er was, en magertjes en zielig aan de kant van Saxo Bank, omdat die gasten nooit wisten of de uitslag achteraf geldig zou zijn.
De reden dat ik boven op het startpodium stond in plaats van F. is dat omdat ze toen nog in mij geloofden. Ik was nota bene de kopman van het team. Moet je niet min over denken. We waren naar die Tour gekomen om hem te winnen. Alleen kon ik het gewoon niet. Weer niet. Ik had weer tijd verloren in de afdaling en nu kwam alles zoals altijd aan op die verdomde tijdrit. En het was allemaal mijn schuld. Ik kan het gewoon niet, nooit. Zodoende kwam ik drie kwartier later bij de streep, in plaats van driekwart minuut. De hele tijdrit lang heb ik er voor spek en bonen bij gezeten. Alles bij elkaar een nogal pijnlijke situatie.
(…)
Dat is alles wat ik er over ga vertellen. Ik had waarschijnlijk nog wel kunnen vertellen wat ik het komende jaar zou moeten doen, en naar welk team ik ga, maar ik heb er geen zin in. Echt niet. Het kan me niet meer schelen. Als je het écht wil weten… ik weet niet wat ik ervan moet denken. F. is nu de kopman. Het zal wel. Zijn windtunnel is vast beter geprepareerd dan de mijne.
Dit stuk staat ook op Het is Koers.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten