Vanmiddag kwam mijn moeder met een tas aanzetten. Ze had er
mijn erfdeel in gestopt: zes kopjes en schoteltjes, van wijlen mijn oma. Ze
stonden al jaren in een keukenkastje en mijn moeder dacht dat ik er een mooier
plekje voor had. ‘Jij bent dol op rommeltjes’ zei ze. Mijn moeder kent me goed.
Ik ben een wandelende kringloopwinkel. Toen ik ze net uitpakte kreeg ik een
brok in mijn keel. Ze zijn foeilelijk. Maar net niet foeilelijk genoeg om hip
te zijn. Ik ben niet zo goed in hip, dus wie weet heeft tout Amsterdam volgend
jaar mijn kopjes. Maar ik gok van niet.
Jantje heette ze, Jantje Venema. Geboren in Anloo in 1908,
overleden in Zuidlaren, bijna 80 jaar later. Geen wereldreiziger. Haar
uitstapjes waren bustochtjes naar Appelscha. Op hele wilde dagen gingen we naar
de Flevohof. Als we binnenkwamen was het eerste wat ze vroeg: ‘He’m ze hier ook
patat?’ Ik schaamde me daar altijd een beetje voor. Zo’n dikke, hongerige oma
die uit haar korset puilde. Met bruine polyester jurken. Het is wonder dat ze
nooit vlam vatte in de snackbar. Als we oma belden na weer zo’n bustocht en
vroegen hoe het was en waar ze was geweest, vertelde ze altijd wat ze gegeten
had. Appeltaart. Met slagroom! Waar wist ze niet meer. Niet op gelet. Taart en
toetjes, daar ging het om. Oma Jantje zong op latere leeftijd in een koor. Zo
vals als een kraai. Ze had een dikke dopneus en een onvervalst noordelijk
centenbakkie, een slecht passend kunstgebit en een haar op haar kin.
Pas later hoorde ik over haar leven. Over haar vader, die al
heel jong overleed. Over haar moeder, die als weduwe in de bedeling terecht
kwam. Het was de crisis van de jaren dertig. Pure armoe. Jantje werd naar de
boerderij van haar tante gestuurd, om ‘aan te sterken’. Keihard werken. Oom en
tante maakten er ongetwijfeld misbruik van. Zo’n nichtje was een goedkope
werkkracht natuurlijk. Het zijn tijden en levens die oneindig ver weg lijken
voor ons. Klasgenootjes van mijn oma woonden nog in plaggenhutten vertelde ze.
Vroeger. Maar vroeger is dus maar twee generaties geleden.
Het maakt de foeilelijke prullaria – met gouden randjes! – van mijn oma onbetaalbaar. Na een leven van honger, ellende, poetsen, schrobben en vernedering moet ze er zielsgelukkig mee zijn geweest. Honger maakt rauwe bonen zoet. In haar koor zong niemand vals. Patat is de uitvinding van de eeuw. En de herinnering aan mijn oma maakt lelijke kopjes wonderschoon.
Het maakt de foeilelijke prullaria – met gouden randjes! – van mijn oma onbetaalbaar. Na een leven van honger, ellende, poetsen, schrobben en vernedering moet ze er zielsgelukkig mee zijn geweest. Honger maakt rauwe bonen zoet. In haar koor zong niemand vals. Patat is de uitvinding van de eeuw. En de herinnering aan mijn oma maakt lelijke kopjes wonderschoon.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten