vrijdag 24 mei 2013

Jantje


Vanmiddag kwam mijn moeder met een tas aanzetten. Ze had er mijn erfdeel in gestopt: zes kopjes en schoteltjes, van wijlen mijn oma. Ze stonden al jaren in een keukenkastje en mijn moeder dacht dat ik er een mooier plekje voor had. ‘Jij bent dol op rommeltjes’ zei ze. Mijn moeder kent me goed. Ik ben een wandelende kringloopwinkel. Toen ik ze net uitpakte kreeg ik een brok in mijn keel. Ze zijn foeilelijk. Maar net niet foeilelijk genoeg om hip te zijn. Ik ben niet zo goed in hip, dus wie weet heeft tout Amsterdam volgend jaar mijn kopjes. Maar ik gok van niet.

Jantje heette ze, Jantje Venema. Geboren in Anloo in 1908, overleden in Zuidlaren, bijna 80 jaar later. Geen wereldreiziger. Haar uitstapjes waren bustochtjes naar Appelscha. Op hele wilde dagen gingen we naar de Flevohof. Als we binnenkwamen was het eerste wat ze vroeg: ‘He’m ze hier ook patat?’ Ik schaamde me daar altijd een beetje voor. Zo’n dikke, hongerige oma die uit haar korset puilde. Met bruine polyester jurken. Het is wonder dat ze nooit vlam vatte in de snackbar. Als we oma belden na weer zo’n bustocht en vroegen hoe het was en waar ze was geweest, vertelde ze altijd wat ze gegeten had. Appeltaart. Met slagroom! Waar wist ze niet meer. Niet op gelet. Taart en toetjes, daar ging het om. Oma Jantje zong op latere leeftijd in een koor. Zo vals als een kraai. Ze had een dikke dopneus en een onvervalst noordelijk centenbakkie, een slecht passend kunstgebit en een haar op haar kin.

Pas later hoorde ik over haar leven. Over haar vader, die al heel jong overleed. Over haar moeder, die als weduwe in de bedeling terecht kwam. Het was de crisis van de jaren dertig. Pure armoe. Jantje werd naar de boerderij van haar tante gestuurd, om ‘aan te sterken’. Keihard werken. Oom en tante maakten er ongetwijfeld misbruik van. Zo’n nichtje was een goedkope werkkracht natuurlijk. Het zijn tijden en levens die oneindig ver weg lijken voor ons. Klasgenootjes van mijn oma woonden nog in plaggenhutten vertelde ze. Vroeger. Maar vroeger is dus maar twee generaties geleden.

Het maakt de foeilelijke prullaria – met gouden randjes! – van mijn oma onbetaalbaar. Na een leven van honger, ellende, poetsen, schrobben en vernedering moet ze er zielsgelukkig mee zijn geweest. Honger maakt rauwe bonen zoet. In haar koor zong niemand vals. Patat is de uitvinding van de eeuw. En de herinnering aan mijn oma maakt lelijke kopjes wonderschoon.

Geen opmerkingen: